U bent hier

Laboratoriumdiagnostiek Anemie (LESA)

Dit hoofdstuk is geactualiseerd ten opzichte van de versie uit 2006. De aanpassingen zijn gebaseerd op de eerste herziening van de NHG-Standaard Anemie uit 2014.

Inhoud

Belangrijkste wijzigingen

ICPC-codering

Inleiding

  1. Diagnostiek anemie
  2. Aanvullende diagnostiek bij anemie
  3. Vervolgdiagnostiek bij vermoeden van anemie door een chronische ziekte (ACD), infectieziekte of hematologische aandoening
  4. Vervolgdiagnostiek bij vermoeden van een anemie door een vitamine B12- en/of foliumzuurdeficiëntie
  5. Vervolgdiagnostiek bij vermoeden van een hemoglobinopathie
  6. Controle na medicamenteuze behandeling

Bespreekpunten voor regionaal overleg

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier

Literatuur

Belangrijkste wijzigingen

  • Bij de aanvullende diagnostiek is de morfologische indeling in micro-, normo- en macrocytaire anemie vervangen door een pathofysiologische indeling op basis van een verminderde of gestoorde aanmaak van hemoglobine (Hb) en/of erytrocyten of verhoogde afbraak van erytrocyten.
  • Bij de eerste stap van de aanvullende diagnostiek is niet langer alleen het mean corpuscular volume (MCV) van belang, maar het MCV in combinatie met ferritine.

ICPC-codering

B80 IJzergebreksanemie

B81 Pernicieuze/foliumzuurdeficientie-anemie

B82 Andere/niet-gespecificeerde anemie

B78 Erfelijke hemolytische anemie

X06 Menorragie

Inleiding

Er is sprake van anemie als de hemoglobine (Hb-)waarde lager is dan de ondergrens van de referentiewaarde. Anemie is per definitie een laboratoriumdiagnose en geen aandoening; ook kan het een symptoom zijn van een onderliggende ziekte.

Een Hb-daling kan aanleiding vormen voor aanvullende diagnostiek, ook als het Hb nog binnen de referentiewaarden valt.

Het diagnostisch beleid maakte voorheen onderscheid op basis van het gemiddelde celvolume van de erytrocyt, het mean corpuscular volume (MCV): micro-, macro- en normocytaire anemie. De beperking van deze morfologische indeling is dat sommige oorzaken van een anemie tot meer dan één morfologische groep kunnen behoren. In feite begint vrijwel iedere anemie, door welke oorzaak ook, normocytair.

Een indeling naar pathofysiologische oorzaak sluit beter aan bij de uiteindelijke diagnose en het beleid. Deze indeling omvat drie categorieën:

  • acuut bloedverlies;
  • verminderde of gestoorde aanmaak van hemoglobine;
  • verhoogde afbraak van erytrocyten.

Er is voor gekozen om het aanvullende diagnostisch onderzoek te laten aansluiten bij deze pathofysiologische indeling. Voor verdere informatie over epidemiologie en pathofysiologie: zie de NHG-Standaard Anemie.1

Meestal heeft de huisarts ook de mogelijkheid om bij het regionale laboratorium zogeheten ‘reflexdiagnostiek bij anemie’ aan te vragen. Het laboratorium zal dan reflexmatig meerdere bepalingen tegelijk uitvoeren of automatisch doortesten als de uitslagen van een eerste, beperkte, set tests daartoe aanleiding geven. De bepalingen in het pakket kunnen per laboratorium verschillen en kunnen afwijken van de hier geadviseerde bepalingen.

1. Diagnostiek anemie

Bepalingen

  • Hb

Indicatie

Bij algemene klachten, zoals moeheid, duizeligheid, algehele malaise of bleekheid die de huisarts (of de patiënt) in verband brengt met anemie of hevig menstrueel bloedverlies is bepaling van het Hb geïndiceerd. Daarnaast wordt het Hb vaak in het kader van een (chronische) ziekte gevolgd. De Hb-waarde, het geslacht en de leeftijd bepalen of een persoon anemie heeft.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

De uitkomsten van Hb-bepalingen volgen een natuurlijke spreiding. Een licht verlaagd Hb-gehalte (in combinatie met een normaal MCV) hoeft dan ook niet altijd pathologisch te zijn. Bij een toegenomen plasmavolume (graviditeit, decompensatio cordis, levercirrose) kan de Hb-concentratie licht verlaagd zijn door verdunning, zonder dat er sprake is van anemie. Het tegenovergestelde is het geval bij indikking van het plasmavolume, bijvoorbeeld door diureticagebruik of uitdroging; dan kan er ondanks een normaal Hb-gehalte toch sprake zijn van anemie.

Bepaling van het Hb geeft geen uitsluitsel over de oorzaak van de anemie. Daarom is meestal vervolgonderzoek noodzakelijk.

Het Hb kan ook via een vingerprik in capillair bloed worden bepaald. De meeste huisartsenpraktijken doen dit met de HemoCue®. Een prospectief Nederlands onderzoek ging na of de met dit apparaat capillair gemeten Hb-waarde een goede maat is voor de veneuze Hb-waarde. In twee gezondheidscentra werd bij een groep van 58 patiënten eerst met dit apparaat de Hb-waarde bepaald in capillair bloed, en daarna in veneus bloed. Bij 2 patiënten was de afwijking tussen de beide Hb-waarden groter dan 2 standaarddeviaties, bij 17 patiënten was de afwijking groter dan 1 standaarddeviatie. De sensitiviteit van de HemoCue® was 81% (95%-BI 62-100%) en de specificiteit 95% (95%-BI 88-100%). In de onderzochte populatie, waarin de prevalentie van anemie 28% bedroeg, was de voorspellende waarde van een positieve HemoCue® 87%, die van een negatieve HemoCue® 93%. Deze testkenmerken maken de HemoCue® in principe goed bruikbaar om de Hb-concentratie te bepalen, maar bij sommige patiënten was het verschil tussen de HemoCue®-bepaling en de veneuze Hb-waarde erg groot. Daarom luidt het advies om het Hb in het laboratorium te laten bepalen als een anemie is vastgesteld door een meting in capillair bloed.2

Referentiewaarden

De referentiewaarden van het Hb zijn afhankelijk van de mate van sensitiviteit en specificiteit waarmee men anemie wil opsporen en de verdeling van het Hb in de bevolking. Er is per definitie sprake van anemie als de waarde van de bepaling onder het 2,5e percentiel van de referentiepopulatie ligt. Het advies is de door het regionale laboratorium gehanteerde referentiewaarden te gebruiken.1

In Nederland gelden over het algemeen de volgende referentiewaarden3:     

Hb

 

 

Mannen

8,5-11,0 mmol/l

Vrouwen

7,5-10,0 mmol/l

Kinderen (1 maand-6 jaar)

Kinderen ( >6 jaar)

6,0-9,0 mmol/l

6,5-10,0 mmol/l

Voor de referentiewaarden bij zwangeren: zie hoofdstuk Zwangerschap en geboorte.

Verder beleid

  • Bij een anemie die in de huisartsenpraktijk is vastgesteld via Hb-bepaling in capillair bloed wordt aanbevolen het laboratorium nogmaals het Hb in veneus bloed te laten bepalen.
  • Bij een vrouw met structureel hevig menstrueel bloedverlies kan de huisarts er in eerste instantie van uitgaan dat ijzergebrek de oorzaak is van de anemie. Zie voor de behandeling de NHG-Standaard Anemie.
  • Bij een kind met een lichte anemie (Hb ≥ 6,0 mmol/l) dat in de voorafgaande maand een infectieziekte heeft doorgemaakt kan de huisarts in eerste instantie de anemie als het gevolg van die infectie beschouwen. Controleer het Hb in dit geval 4 weken na herstel.
  • Bij de overige patiënten is vervolgdiagnostiek aangewezen; zie hiervoor paragraaf 2 t/m 5.

2. Aanvullende diagnostiek bij anemie

Bepalingen

  • MCV
  • Ferritine

Indicatie

Behalve bij kinderen met een recente infectieziekte en vrouwen met structureel hevig menstrueel bloedverlies bestaat het aanvullend onderzoek bij anemie altijd uit bepaling van MCV en ferritine. Doel van deze bepalingen is het vaststellen van een ijzergebreksanemie, die het gevolg is van bloedverlies. IJzer is essentieel voor de hemoglobinesynthese. Het hemoglobinegehalte daalt als de ijzervoorraad van het lichaam uitgeput raakt. Deze ijzervoorraad is ongeveer 1 gram en bestaat uit ferritine en hemosiderine in het macrofagensysteem van lever, milt en beenmerg; in het spierweefsel bevindt zich bovendien 5 - 10% als myoglobine-ijzer. Bij de diagnostiek van een ijzergebreksanemie speelt ferritine een belangrijke rol aangezien alleen ijzergebrek een verlaging van ferritine kan veroorzaken.4

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

  • Het MCV bepaalt of er sprake is van een microcytaire (MCV < 80 fl), normocytaire (MCV 80 - 100 fl) of macrocytaire anemie (MCV > 100 fl).
  • De sensitiviteit en specificiteit van de ferritinebepaling (afkapwaarde < 30 µg/l) voor een ijzergebreksanemie zijn respectievelijk 92% en 98%.4 Bij een lagere grenswaarde voor de ferritinebepaling vermindert de sensitiviteit aanzienlijk; bij een afkapwaarde van 12 µg/l zijn de sensitiviteit en specificiteit voor een ijzergebreksanemie respectievelijk 25% en 98%. De referentiewaarde is afhankelijk van de gebruikte methode in het laboratorium. 

Een overzichtsartikel van onderzoeken naar de waarde van MCV, ferritine, ijzerverzadigingspercentage, red cell distribution width en zinkprotoporfyrine in erytrocyten bij de diagnostiek van ijzergebreksanemie concludeert dat ferritine van deze bepalingen veruit de meest waardevolle is. De auteurs adviseren de ferritinewaarden als volgt te hanteren5:

  • waarden < 15 µ/l bevestigen de diagnose ijzergebreksanemie;
  • waarden > 100 µ/l sluiten ijzergebreksanemie uit;
  • bij waarden van 15-100 µ/l zijn andere gegevens nodig om tot een uitspraak te komen.

Aangezien ferritine een acutefaseproteïne is, kan in geval van ontsteking (bijvoorbeeld reumatoïde artritis), infectie of een maligniteit, de waarde verhoogd zijn en een ijzergebrek worden gemaskeerd.

Referentiewaarden3

MCV

Volwassenen

80 - 100 fl (femtoliter = 10-15l)

Ferritine

 

 

 

Mannen

25 - 250 µg/l

Premenopauzale vrouwen        

20 - 150 µg/l

Postmenopauzale vrouwen

20 - 250 µg/l

Mannen en vrouwen > 65 jaar

45 - 250 µg/l

Verder beleid

Een verlaagde ferritineconcentratie wijst op ijzergebreksanemie. Als de ferritineconcentratie > 100 µg/l bedraagt, is ijzergebreksanemie zeer onwaarschijnlijk. Voor richtlijnen over aanvullende diagnostiek naar de oorzaak van het ijzergebrek en de suppletie van ijzer: zie de NHG-Standaard Anemie.

Als uit de laboratoriumuitslagen blijkt dat er niet eenduidig sprake is van een ijzergebreksanemie wordt gericht diagnostiek ingezet om tot een verklaring van de anemie te komen (zie het stroomdiagram en de paragrafen 4, 5 en 6), waarbij de hemoglobinopathiediagnostiek alleen op indicatie wordt verricht.

3. Vervolgdiagnostiek bij vermoeden van anemie door een chronische ziekte (ACD), infectieziekte of hematologische aandoening

Bepalingen

  • ijzer
  • transferrine
  • leukocyten
  • trombocyten
  • BSE
  • eGFR

Indicatie

Als er op basis van gegevens uit de anamnese en de voorgeschiedenis een vermoeden bestaat van een anemie door een chronische ziekte (zoals reumatoïde artritis en nierfunctiestoornis), een infectieziekte of een hematologische aandoening, wordt aanbevolen bovenstaande bepalingen aan te vragen. Deze bepalingen zijn ook geïndiceerd als er niet eenduidig sprake is van een ijzergebreksanemie.

Een anemie door een chronische ziekte (ACD) is het gevolg van een gestoorde inbouw van ijzer in het hemoglobine en een verkorte levensduur van de erytrocyten. Dit kan ook het geval zijn gedurende enkele weken na een acute infectie. Bij chronische nierschade veroorzaakt een verminderde aanmaak van erytropoëtine anemie. Beenmergstamcelziekten (myelodysplasie, acute leukemie) of beenmergverdringing (chronische lymfatische leukemie, lymfoom, tumormetastasen) kunnen leiden tot een aanmaakstoornis van erytrocyten.

Bij een niet verlaagde ferritineconcentratie bij patiënten die een aandoening hebben – of de afgelopen maand hebben gehad – die een (ACD) tot gevolg kan hebben, luidt het advies ook het serumijzergehalte en het transferrinegehalte te bepalen om te kunnen differentiëren tussen ijzergebrek en ACD.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

  • IJzer is een essentieel element voor de hemoglobinesynthese. IJzer wordt opgenomen in de darm en direct gebonden aan het transporteiwit transferrine. Omdat voeding een tijdelijke verhoging van het serumijzer geeft, zou deze bepaling bij voorkeur 's ochtends voor het ontbijt uitgevoerd moeten worden. Ook bij een ACD is het serumijzer normaal tot verlaagd. De waarde van de serumijzerbepaling alleen is dan ook beperkt.
  • Transferrine is het transporteiwit voor ijzer. De waarden ervan zijn verhoogd bij een toegenomen behoefte aan ijzer of bij een ijzertekort. Transferrine is een negatief acutefaseproteïne en is dus verlaagd bij ontstekingen en maligniteiten.
    Het transferrine is verhoogd bij een toegenomen behoefte aan ijzer of bij een ijzertekort, en normaal of verlaagd bij aandoeningen die een ACD kunnen veroorzaken. De ijzerverzadiging kan worden berekend uit de bepaling van ijzer en transferrine.
  • Er zijn geen gegevens bekend over de testeigenschappen van de bepaling van leukocyten en trombocyten in relatie tot anemie.
  • BSE: zie Algemeen onderzoek.
  • eGFR: door een verminderde erytropoëtine productie is er bij een eGFR van < 30 ml/min/1,73m2 mogelijk een renaal bepaalde anemie, zie Nieraandoeningen

Referentiewaarden3

De referentiewaarden van transferrine, ijzer en ferritine kunnen per laboratorium enigszins verschillen. Het advies is de door het regionale laboratorium gehanteerde referentiewaarden te gebruiken. In Nederland gelden over het algemeen de volgende referentiewaarden:

IJzer

 

 

Mannen

14 - 35 µmol/l

Vrouwen

10 - 25 µmol/l

Neonaten

17 - 40 µmol/l

Transferrine

 

Volwassenen   

2,0 - 4,1 g/l

Neonaten

1,3 - 2,7 g/l

Trombocyten

Volwassenen

150 - 400 x 109/l

Leukocyten

Volwassenen   

4 - 10 x 109/l

BSE: zie Algemeen onderzoek.

eGFR: zie Nieraandoeningen.

Verder beleid

Zie voor de interpretatie van de uitslagen het stroomdiagram.

Controleer bij een ACD vier weken nadat de patiënt is hersteld van de infectieziekte het Hb. Bij een ACD overlegt de huisarts met een kinderarts, internist of hematoloog of met de specialist bij wie de patiënt eventueel onder behandeling is voor de betreffende aandoening. Verwijs patiënten met een vermoedelijke beenmergaandoening naar een internist-hematoloog.

4. Vervolgdiagnostiek bij vermoeden van een anemie door een vitamine-B12- en/of foliumzuurdeficiëntie

Bepalingen

  • vitamine B12
  • foliumzuur
  • LDH
  • reticulocyten

Indicatie

Als er op basis van gegevens uit de anamnese en de voorgeschiedenis een vermoeden bestaat van een anemie door een vitamine B12- en/of foliumzuurdeficiëntie, zijn bovenstaande bepalingen geïndiceerd.

Vitamine B12 en foliumzuur zijn betrokken bij de aanmaak van het hemoglobine. Een deficiëntie kan leiden tot verminderde aanmaak.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

  • Vitamine B12: zie hoofdstukVitamine-B12-deficiëntie. Een verlaagd vitamine B12 kan ook worden gevonden als er geen beeld is van een anemie met verhoogd MCV.
  • Foliumzuur: er is per definitie sprake van een foliumzuurdeficiëntie als de waarde van de bepaling onder het 2,5e percentiel van de referentiepopulatie ligt.
  • De sensitiviteit en specificiteit van de overige (combinaties van) bepalingen (LDH, aantallen reticulocyten, trombocyten en leukocyten) zijn niet bekend. Dit geldt ook voor de combinatie van bepalingen voor een beenmergaandoening, hemolytische anemie of vitamine B12-/foliumzuurdeficiëntie. Remming van het beenmerg gaat gepaard met een verlaging van het aantal reticulocyten; stimulering van het beenmerg gaat gepaard met een verhoging van het aantal reticulocyten en kan wijzen op hemolytische anemie.

Referentiewaarden3

LDH       

135 - 225 U/l

Reticulocyten

relatieve telling: 5 - 25‰, absolute telling: 25 - 120 × 109/l

Vitamine B12

Zie Vitamine B12-deficiëntie

Foliumzuur

afhankelijk van de gebruikte test en het laboratorium

Verder beleid

Zie voor de interpretatie van de uitslagen het stroomdiagram in de bijlage.

Bij een vitamine-B12-concentratie in het ‘grijze gebied’ (laag normaal of licht verlaagd) en een blijvend vermoeden van vitamine-B12-deficiëntie als oorzaak van de anemie vraagt de huisarts een methylmalonzuur- of homocysteïnebepaling aan, afhankelijk van het aanbod van het regionale laboratorium. De voorkeur gaat uit naar methylmalonzuur, maar homocysteïne is een goede tweede keus. Een niet-verhoogde methylmalonzuurspiegel sluit een vitamine-B12-deficiëntie nagenoeg uit (zie Vitamine B12 deficiëntie)[link Laboratoriumdiagnostiek Vitamine B12]. In dit geval kan er ook voor gekozen worden te starten met een proefbehandeling met vitamine B12. Zie voor de behandeling van anemie op basis van een vitamine- B12- of foliumzuurdeficiëntie de NHG-Standaard Anemie.

Als de uitslagen een hemolytische anemie doen vermoeden (verhoogd aantal reticulocyten en LDH) zijn bepaling van het haptoglobine en een directe coombstest (ofwel de directe antiglobulinetest) geïndiceerd. Als haptoglobine niet tot nauwelijks aantoonbaar is, ondersteunt dit de diagnose hemolyse. Een directe coombstest kan hemolyserende auto-antilichamen op de erytrocyten aantonen. Verwijs bij een vermoedelijke hemolytische anemie naar een internist-hematoloog.

5. Vervolgdiagnostiek bij vermoeden van een hemoglobinopathie

Bepalingen

  • erytrocytenaantal
  • Hb-elektroforese of -chromatografie, eventueel in combinatie met DNA-onderzoek

Indicatie

Naar schatting 1% van de Nederlandse bevolking is drager van een hemoglobinopathie. Hemoglobinopathieën erven autosomaal recessief over. De meest voorkomende hemoglobinopathieën zijn thalassaemia minor en sickle-cell trait (dragerschap). Thalassaemia major en sikkelcelziekte, komen in Nederland zelden voor.

Sikkelcelziekte wordt veroorzaakt door een structurele afwijking in de bètaglobineketen van het hemoglobine, hetgeen tot een vormverandering van de erytrocyt (sikkelcel) leidt. Bètathalassaemia major wordt veroorzaakt doordat er geen of minder bètaglobineketens van het hemoglobine worden aangemaakt, wat leidt tot een ernstige chronische hemolytische anemie met een verlaagd MCV en doorgaans een verhoogd erytrocytenaantal.

Onderzoek naar hemoglobinopathie is alleen geïndiceerd bij:

  • mensen (met voorouders) uit gebieden waarin dragerschap van een hemoglobinopathie vaak voorkomt (Middellandse Zeegebied, Afrika, Azië, Midden-Oosten, Caraïbisch gebied);
  • mensen met familieleden die een hemoglobinopathie hebben (gehad);
  • ouders en familie van een kind bij wie met de hielprik (dragerschap van) een hemoglobinopathie is vastgesteld;
  • aanwijzingen voor een hemoglobinopathie bij eerder verricht laboratoriumonderzoek (bijv. een verlaagd MCV zonder verklaring, verhoogd aantal erytrocyten en/of morfologische afwijkingen erytrocyten), indien familie-anamnese of afkomst passend zijn bij een eventuele hemoglobinopathie.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen 

Afwijkende resultaten van de gerichte diagnostiek wijzen op een hemoglobinopathie. Afhankelijk van de methode die het laboratorium gebruikt (Hb-elektroforese of Hb-chromatografie) worden separaat het HbF en het HbA2 bepaald. Deze bepalingen kunnen met veel zekerheid de meeste hemoglobinopathieën (sikkelcelziekte en bètathalassaemia) aantonen dan wel uitsluiten, maar geven geen duidelijkheid over de aanwezigheid van homo- of heterozygote alfathalassaemia. In dat geval biedt alleen DNA-onderzoek uitsluitsel.1

Sikkelcelziekte is vanaf 2007 in de landelijke hielprikscreening opgenomen omdat vroegdiagnostiek en al dan niet preventieve behandeling de mortaliteit en morbiditeit van kinderen kan reduceren. De gebruikte methode, high performance liquid chromatography (HPLC), identificeert ook patiënten met betathalassaemia major. 

HbA1c bepaling kan soms, afhankelijk van de gebruikte techniek, ook een indicatie voor hemoglobinopathie aantonen. Vervolgonderzoek is in dat geval geïndiceerd.

Verder beleid

  • Als (dragerschap van) een hemoglobinopathie is vastgesteld, moet worden nagegaan of er indicaties zijn voor dragerschapstests bij familieleden van de patiënt (zie de NHG-Standaard Anemie). Is die indicatie er, dan adviseert de huisarts de patiënt om diens familieleden op de hoogte te stellen opdat zij naar hun huisarts kunnen gaan.
  • Bij anemie door een hemoglobinopathie verwijst de huisarts de patiënt naar een internist-hematoloog of kinderarts-hematoloog.
  • Bij een niet-conclusieve uitslag van het onderzoek naar hemoglobinopathie overlegt de huisarts met een laboratoriumspecialist klinische chemie, internist- hematoloog of kinderarts-hematoloog over mogelijkheden voor ander aanvullend onderzoek.
  • Bij een anemie op basis van hemoglobinopathie is het geven van ijzer niet zinvol, tenzij er ook sprake is van ijzergebrek.

6. Controle na medicamenteuze behandeling

Bepalingen

  • Hb

Indicatie

Om het effect van medicamenteuze behandeling na te gaan moet het Hb na vier weken gecontroleerd worden en vervolgens als verwacht mag worden dat het Hb weer op het normale niveau is. Bij orale ijzertoediening is een gemiddelde stijging van tenminste 0,5 mmol/l per week te verwachten. Bij medicamenteuze behandeling van een vitamine B12- of foliumzuurdeficiëntie mag na vier weken een stijging van het Hb met 10% worden verwacht. Een afwijkend Hb bij een controlebepaling in het laboratorium is geen reden voor automatisch vervolgonderzoek: de oorzaak van de anemie wordt immers als bekend verondersteld.

Referentiewaarden

Hb

zie paragraaf 1

Verder beleid

  • IJzergebreksanemie: controleer bij stijging nogmaals het Hb op het moment dat verwacht mag worden dat het Hb weer op normaal niveau is. Continueer de orale therapie na normalisatie van het Hb nog 8 - 12 weken om de ijzerreserves aan te vullen.
  • Vitamine-B12-of foliumzuurdeficiëntie: controleer het Hb nogmaals na 4 - 6 weken. De suppletie kan 6 - 12 weken nadat het Hb-gehalte is genormaliseerd worden gestaakt, mits de oorzaak van de deficiëntie is weggenomen. Is de oorzaak van de deficiëntie niet te herstellen, zoals bij pernicieuze anemie, dan moet de suppletie levenslang voortgezet worden.

Bespreekpunten voor regionaal overleg

Regionale werkafspraken kunnen de basis vormen voor een diagnostisch toetsoverleg en regionale nascholing. Bij het regionaal overleg tussen huisartsen en het huisartsen- of ziekenhuislaboratorium kunnen aandachtspunten zijn:

  • referentiewaardenvoor Hb;
  • invulling reflexdiagnostiek;
  • wel of niet automatisch vervolgdiagnostiek als er geen sprake is van ijzergebrek;
  • indicaties voor diagnostiek naar hemoglobinopathie.

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier

Anemie

Diagnostiek anemie (vrouwen met hevig menstrueel bloedverlies, kinderen met een recente infectieziekte)

□ Hb

Diagnostiek anemie (overige patiënten)

□ Hb, indien anemie: MCV, ferritine

□ Indien geen ijzergebreksanemie automatisch vervolgonderzoek:

□  (vermoeden) chronische ziekte, infectieziekte of hematologische aandoening (BSE, ijzer, transferrine, eGFR, trombocyten en leukocyten)

□  (vermoeden) vitamine-B12- en/of foliumzuurdeficiëntie (vitamine B12, foliumzuur, reticulocyten en LDH)

Vermoeden hemoglobinopathie

□ erytrocytenaantal en Hb-elektroforese of -chromatografie

Controle

□ Hb

Literatuur

  1. NHG-Standaard Anemie (eerste herziening), 2014.
  2. Eekhof JA, Groeneveld Y. Bepaling van de hemoglobineconcentratie met de HemoCue in de huisartsenpraktijk: bruikbaar, maar niet volledig betrouwbaar. Ned Tijdschr Geneeskd 2008;152:2294-7.
  3. Hooijkaas H, Mohrmann K, Souverijn JHM, Smeets LC, Tax GHM (red.). Handboek medische laboratoriumdiagnostiek. Houten: Prelum Uitgevers, 2013.
  4. van Rijn HJM, Winckers EKA, van Eijk HG, Marx JJM. IJzergebrek, een eenvoudige diagnose? Ned Tijdschr Geneeskd 1993; 137:490-5. 
  5. (Mast AE, Blinder MA, Gronowski AM, Chumley C, Scott MG. Clinical utility of the soluble transferrin receptor and comparison with serum ferritin in several populations. Clin Chem 1998;44:45-51).
  6. Guyatt GH, Oxman AD, Ali M. Laboratory diagnosis of iron-deficiency anemia: an overview. J Gen Intern Med 1992;7:145-53.